Neerlandés → Inglés - uitdrukken

Pronunciación
v. express, press, enounce, pitch, convev

Neerlandés → Francés - uitdrukken

Pronunciación
1. (sigaret) écraser 2. (woorden) exprimer
3. (idee) concrétiser 4. (gevoelens) exprimer; traduire
5. (gedrag) refléter; indiquer; être un signe de


dictionary extension

Conjugación verbo uitdrukken

Tegenwoordig en verleden deelwoord: uitdrukkend; uitgedrukt
Presens: druk uit, drukt uit, drukt uit (4e - 6e pers.) drukken uit
Imperfect: (1e - 3e pers.) drukte uit (4e - 6e pers.) drukten uit
Toekomende tijd I: zal uitdrukken, zult uitdrukken, zal uitdrukken (4e - 6e pers.) zullen uitdrukken
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou uitdrukken (4e - 6e pers.) zouden uitdrukken
Perfectum: heb uitgedrukt, hebt uitgedrukt
© dictionarist.com