Neerlandés → Inglés - vertellen

Pronunciación
v. tell, narrate, relate, recite, rede, make a report, pitch

Neerlandés → Francés - vertellen

Pronunciación
1. (verhaal) raconter; conter; dépeindre; narrer; relater
2. (informatie) dire
3. (wiskunde) mal calculer; se tromper


dictionary extension

Conjugación verbo vertellen

Tegenwoordig en verleden deelwoord: vertellend; verteld
Presens: vertel, vertelt, vertelt (4e - 6e pers.) vertellen
Imperfect: (1e - 3e pers.) vertelde (4e - 6e pers.) vertelden
Toekomende tijd I: zal vertellen, zult vertellen, zal vertellen (4e - 6e pers.) zullen vertellen
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou vertellen (4e - 6e pers.) zouden vertellen
Perfectum: heb verteld, hebt verteld, heeft verteld (4e - 6e
© dictionarist.com